Werkwoorden verleden tijd - zwak (geen kofschip) - 003

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (stoten) De biljarter met de keu tegen de witte bal.

2) (dooien) Het en daardoor begon het ijs te smelten.

3) (spoeden) De hulpverlener zich naar het ongeluk.

4) (beloven) hij dat hij vandaag zou komen?

5) (pesten) Deze week de kinderen uit de klas elkaar niet.

6) (durven) De waaghals de gevaarlijke sprong te maken.

7) (vertellen) Aan het eind van de middag de juf een spannend verhaal.

8) (stichten) de Romeinen de stad Nijmegen?

9) (filmen) De regisseur vaak op locatie.

10) (balen) De spelers flink toen ze verloren hadden.