Werkwoorden verleden tijd - zwak (geen kofschip) - 001

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (halen) Erik de boodschappen bij de winkel.

2) (luieren) We tijdens de vakantie de hele dag.

3) (profiteren) De tennisser van de fouten van zijn tegenstander.

4) (praten) De gasten op het feestje gezellig met elkaar.

5) (balen) Ik dat het weer regende.

6) (kaarten) Gisteren we drie uur lang.

7) (draaien) De chauffeur de bus.

8) (zetten) De ober de glazen op tafel.

9) (dooien) Het waardoor het ijs smolt.

10) (omspitten) De tuinman de tuin om.