Werkwoorden verleden tijd - zwak - 010

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (instorten) Het kaartenhuis in toen mijn vader de deur opende.

2) (stoppen) Na de operatie de man direct met roken.

3) (veranderen) Er een hoop toen er een nieuwe directeur werd aangesteld.

4) (durven) De spelers niet aan te vallen tijdens de eerste helft van de wedstrijd.

5) (optillen) Met gemak hij die zware doos in de auto.

6) (fietsen) We wel drie uur voor we bij de camping aankwamen.

7) (vluchten) Na de harde knal de hond de garage in.

8) (raken) jij de roos bij het boogschieten?

9) (begeleiden) De vader van Richard de klas op de piano.

10) (reizen) Wij drie maanden door Europa, zonder ook maar iets van tevoren te plannen