Werkwoorden verleden tijd - zwak - 008

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (stoten) Hannie haar hoofd tegen het lage plafond.

2) (stampen) De kleuters met veel plezier in de plassen.

3) (ontmoeten) Wanneer jij die beroemde zangeres?

4) (horen) We iemand schreeuwen dat er brand was!

5) (gebruiken) Ik een oude lap om de racefiets schoon te maken.

6) (vrezen) De vijand dat de spion was ontmaskerd.

7) (maken) De meester tijd om het probleem in de klas op te lossen.

8) (besparen) Met de zonnepanelen we vorig jaar veel geld.

9) (zeilen) Tijdens de wedstrijd het Nederlandse schip vooraan.

10) (vastklemmen) We ons vast aan de mast om niet overboord te slaan.