Werkwoorden verleden tijd - zwak - 006

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (benijden) Alle klasgenoten Sara omdat ze zo goed kon zingen.

2) (maken) Gisteren mijn broer een grote blunder.

3) (tellen) Na de verkiezingen men de stemmen.

4) (kosten) Het me veel moeite om hem te overtuigen.

5) (missen) De kinderen de juf toen ze drie dagen ziek was.

6) (remmen) De fietser hard toen het licht op rood sprong.

7) (stoppen) Laurens vorig jaar definitief met roken.

8) (lijmen) De kleuters de vellen papier aan elkaar vast.

9) (hoeven) Dat je je dit jaar niet af te vragen.

10) (werken) Ramon harder nadat hij een slecht rapport had gekregen.