Werkwoorden verleden tijd - zwak - 004

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (babbelen) De kleine kleuter er vrolijk op los.

2) (snikken) De jongen hevig toen hij het slechte nieuws hoorde.

3) (glanzen) De paarden in de ochtendzon.

4) (zakken) Maud gisteren door het dunne ijs.

5) (herinneren) Ik me opeens waar ik mijn fiets had neergezet.

6) (tegenwerken) Jullie ons afgelopen weekend de hele tijd tegen.

7) (niesen) Gijs hard toen hij buiten kwam.

8) (dalen) Voor de landing het vliegtuig tot onder de wolken/

9) (teisteren) Een hevige storm de kust.

10) (haken) Oma een kleedje voor op de salontafel.