Werkwoorden verleden tijd - zwak - 003

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (passen) Esther de trouwjurk in de winkel.

2) (glimlachen) De kelner vriendelijke tegen de gasten.

3) (begroeten) Oom Eduard zijn neefje hartelijk.

4) (stoten) De kinderen de glazen om toen ze om de tafel renden.

5) (verbazen) Het iedereen dat hij zo mooi gitaar speelde.

6) (verbranden) De misdadigers al het bewijsmateriaal.

7) (schaken) Op jonge leeftijd hij al behoorlijk goed.

8) (mankeren) Weet iemand wat hem ?

9) (meelokken) We de kippen mee terug naar de ren.

10) (mopperen) Waarom je gisteren toch zo?