Werkwoorden verleden tijd - sterk - 010

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (spuiten) De brandweer het dak van het huis nat.

2) (aanbieden) We aan om hem te helpen met de verhuizing.

3) (eten) Wanneer jullie voor de laatste keer friet?

4) (kruipen) De klas stiekem onder het raam van de deur door.

5) (helpen) Wat fijn dat jullie mij gisteren met opruimen!

6) (lezen) Voor het slapen gaan Liam een spannend boek.

7) (strijden) De ridder om de hand van de jonkvrouw.

8) (rondhangen) De groep jongeren rond bij de supermarkt.

9) (rondbrengen) De postbode alle brieven 's ochtends rond.

10) (ruiken) Na de schoonmaak de badkamer heerlijk fris.