Werkwoorden verleden tijd - sterk - 006

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (aftreden) De minister af na het schandaal.

2) (vastbinden) De schipper het touw stevig vast.

3) (kiezen) Welke kinderen jij voor je verjaardagsfeestje?

4) (roepen) De verzorgers de honden naar binnen.

5) (ontbijten) In het hotel we elke ochtend om 8 uur.

6) (zenden) Ik een berichtje naar alle kinderen uit mijn klas.

7) (verkopen) De winkeliers dit jaar meer elektrische apparaten.

8) (wrijven) Lars over zijn pijnlijke knie.

9) (vlechten) Tijdens het overblijven de kinderen een touw van wol.

10) (schuiven) Marcel zijn stoel onder zijn tafel.