Werkwoorden verleden tijd - sterk - 005

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (verliezen) Door een fout van de verdediging we de wedstrijd.

2) (liegen) Waarom je tegen mij?

3) (zenden) Het schip een noodsignaal uit.

4) (ruiken) Het heerlijk toen we brood aan het bakken waren.

5) (moeten) Er snel iets gedaan worden.

6) (gieten) Maud heet water in de theepot.

7) (schrikken) je toen ik plotseling binnen kwam?

8) (roepen) Peter zijn hond bij zich.

9) (rijden) De auto's bijna allemaal te hard.

10) (verdenken) De juf de kinderen van spieken.