Werkwoorden verleden tijd - sterk - 004

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (bestrijden) De politie de misdaad in de stad.

2) (bederven) Het eten toen het te lang buiten de koelkast stond.

3) (breken) Het glas toen het op de grond viel.

4) (ontbijten) We gisteren nogal laat.

5) (schrijven) Kian op een briefje wat hij moest halen bij de winkel.

6) (smijten) Bas zijn kleren in de hoek van zijn kamer.

7) (spuiten) Het water in het rond.

8) (nadoen) De kleine dieren hun ouders na.

9) (vragen) Hij me of ik mee wilde doen met het spel.

10) (uitschelden) Die vervelende jongen ons uit.