Werkwoorden verleden tijd - sterk - 003

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (ophangen) We de was op toen de zon ging schijnen.

2) (blazen) Noud een grote bel met zijn kauwgum.

3) (zitten) Er drie kinderen op het hek.

4) (bekijken) De klanten de nieuwe producten in de winkel.

5) (worden) er gebeld?

6) (rondbrengen) De koerier de pakjes rond.

7) (bevriezen) De ijsjes toen we ze in de vriezer stopten.

8) (zoeken) Janine haar sleutels overal.

9) (vragen) We of we even naar binnen mochten gaan.

10) (bedenken) Luuk een leuk verhaal.