Werkwoorden verleden tijd - sterk - 002

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (geven) Het publiek een daverend applaus.

2) (snijden) De kok zich in zijn vinger.

3) (laten) We de oude mensen eerst naar binnen gaan.

4) (kunnen) Ik niet meer met de bus mee.

5) (blijven) Het publiek op een veilige afstand.

6) (lezen) De leerlingen allemaal in hun leesboek.

7) (vinden) Wat je juf daar van?

8) (gaan) De hele school vorige week op schoolreis.

9) (worden) Na een spannend toernooi mijn team derde.

10) (zitten) jij ook in het vliegtuig?