Werkwoorden verleden tijd - sterk - 001

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (drijven) De boot rustig op het water.

2) (bieden) Wat hij voor de computer?

3) (snuiten) Ik mijn neus voor ik naar binnen ging.

4) (vliegen) De vogels hoog in de lucht.

5) (wijzen) Hij waar ik naar toe moest.

6) (glijden) De kinderen van de glijbaan af.

7) (smelten) jouw ijsje ook zo snel?

8) (zien) De toeschouwers dat de voorstelling begon.

9) (weten) We niet wat we gingen doen.

10) (doen) De clown erg hard zijn best.