Werkwoorden verleden tijd - gemengd - 010

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (bevinden) We ons halverwege op de route.

2) (huren) Het bruidspaar een oude auto voor het feest.

3) (dansen) Alle kinderen tijdens het schoolfeest op het podium.

4) (praten) Kas urenlang met zijn vriend tijdens de logeerpartij.

5) (vallen) Er plotseling een stilte toen er iets mis ging.

6) (feliciteren) De klasgenoten Joeri toen hij jarig was.

7) (ontbijten) Met Pasen alle kinderen op school.

8) (aantreffen) We de meeste leerlingen in de kantine aan.

9) (sussen) De juf de ruzie die in de pauze was ontstaan.

10) (kosten) Het me veel moeite om tot het eind toe te blijven rennen.