Werkwoorden verleden tijd - gemengd - 009

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (smijten) De miljonair met geld tijdens zijn luxe vakantie.

2) (aanbranden) De ovenschotel aan omdat de oven te heet was.

3) (scoren) Het Italiaanse elftal in de laatste minuut.

4) (sluiten) Ik alle deuren voordat ik vertrok.

5) (verstoten) Met een snelle tijd zij haar rivaal van de eerste plek.

6) (smeden) De kinderen in de klas een goed plan.

7) (durven) Thomas niet in de achtbaan en dus bleef hij alleen wachten.

8) (doen) Toen het warm was ik mijn jas uit.

9) (verbazen) Het enorme verschil in punten de trainer.

10) (belasten) De fabriek het milieu minder toen de nieuwe machine werd gebruikt.