Werkwoorden verleden tijd - gemengd - 004

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (aankleden) Eelke zich vlug aan om nog op tijd te komen.

2) (pakken) Na de les alle studenten hun spullen in.

3) (snijden) Max zich met het zakmes in zijn vinger.

4) (geeuwen) jij net of was dat iemand anders?

5) (kalmeren) Na een paar minuten Rens weer.

6) (vergroten) De hardloper zijn voorsprong op de achtervolgers.

7) (genieten) De kinderen van de leuke voorstelling.

8) (piepen) De oude karren en kraakten.

9) (bereiken) Na drie weken de zeiler zijn bestemming.

10) (zitten) We in spanning tijdens de uitreiking van de prijzen.