Werkwoorden tegenwoordige tijd - enkelvoud - 006

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (weigeren) Hans om de klas uit te gaan.

2) (poetsen) Op zondag ik vaak mijn fiets.

3) (bedreigen) De overvaller de medewerker van de supermarkt.

4) (kneden) Mirjam het deeg voor het brood dat ze gaat bakken.

5) (bekladden) Je broertje de muur met zijn stiften.

6) (wachten) Ik nu al uren op de bus!

7) (gutsen) Het zweet over mijn rug op deze warme dag.

8) (uitbreiden) je oom zijn bedrijf dit jaar nog verder uit?

9) (antwoorden) Als je niet moet je hier nog even blijven zitten.

10) (pinnen) Gerrit voor hij gaat winkelen eerst nog voldoende geld.