Werkwoorden tegenwoordige tijd - een ander - 010

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (verdoven) De tandarts de patiënt voor hij gaat boren.

2) (redden) je broer het om ook mee te gaan naar de film?

3) (aandrukken) De wals het asfalt stevig aan.

4) (plaatsen) Hij de bal precies in de hoek van het doel.

5) (doordraven) Wat hij weer door vandaag!

6) (omspitten) De boer de moestuin naast de boerderij om.

7) (doen) Waarom je nou zo raar?

8) (blazen) Maaike alle kaarsjes op de taart in één keer uit.

9) (kijken) De juf of we veilig kunnen oversteken.

10) (schaden) De aanval de relatie tussen de twee landen.