Werkwoorden tegenwoordige tijd - een ander - 008

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (ervaren) Ik wil dat je wat de anderen hebben meegemaakt.

2) (verloten) Tijdens de braderie de fietsenmaker een nieuwe fiets.

3) (leven) Er een hoop ongenoegen in dat bedrijf.

4) (worden) Wanneer de post vandaag bezorgd?

5) (keffen) Het kleine hondje bijna de hele dag.

6) (slaan) De sloper een gat in de muur met de grote hamer.

7) (rusten) Het kleine baby'tje nog vier keer per dag.

8) (slepen) Het team de overwinning er toch nog uit.

9) (bederven) Hoe snel vlees buiten de koelkast?

10) (kneden) Als je de klei goed , gaat alle lucht eruit.