Werkwoorden tegenwoordige tijd - een ander - 006

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (doen) Die grote hond geen vlieg kwaad.

2) (roepen) Peter alle kinderen van de klas bij elkaar.

3) (aankleden) jij je netjes aan voor dat feest?

4) (fantaseren) Soms hij erover hoe het is om rijk te zijn.

5) (worden) Volgende week het waarschijnlijk beter weer.

6) (beweren) Mariska dat ze het veel beter kan.

7) (grenzen) Nederland aan België en Duitsland.

8) (geven) De coureur veel gas om snel te vertrekken.

9) (snijden) je vader de uit in kleine stukjes?

10) (omhakken) De houthakker de oude boom om.