Werkwoorden tegenwoordige tijd - een ander - 005

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (dragen) jouw moeder vaak hoge hakken?

2) (verbazen) Het me niet dat we met deze regen niet naar buiten gaan.

3) (verstoppen) Wie zich als eerste?

4) (bespreken) Als je dit vooraf is het geen probleem.

5) (redden) De strandwacht de kleuter uit het water.

6) (bekeuren) De agent de bestuurder van de auto.

7) (houden) Dat meisje niet van scherp eten.

8) (vinden) jij het ook zo spannend?

9) (vinden) je leraar het goed dat je eerder naar huis gaat?

10) (blijven) Onze hond bij mijn oma als we op vakantie gaan.