Werkwoorden tegenwoordige tijd - een ander - 004

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (draaien) In de bioscoop een spannende actiefilm.

2) (grazen) De koe rustig in de wei.

3) (opladen) jij je mobiele telefoon altijd 's nachts op?

4) (bemoeien) Waarom iedereen zich met die ruzie?

5) (doorgeven) Hij de lijm aan zijn buurman door.

6) (invriezen) Deze fabriek alle producten in voor ze worden vervoerd.

7) (passen) Die trui niet bij je broek.

8) (voorbereiden) je zus met jou de spreekbeurt voor?

9) (vergissen) Als je je moet je het antwoord verbeteren.

10) (schudden) De deler de kaarten.