Werkwoorden tegenwoordige tijd - een ander - 002

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (slopen) Met een grote hamer hij de muur.

2) (vouwen) De kleuter het papier dubbel.

3) (snijden) je mes makkelijk door het karton?

4) (zucht) De leraar eens diep.

5) (landen) Het voetbalteam vanmiddag op Schiphol.

6) (fietsen) De wielrenner alleen op kop.

7) (blazen) Als je hard wordt de ballon groter.

8) (zweven) De vogel hoog in de lucht.

9) (draaien) Hij er de hele tijd omheen.

10) (worden) je broer straks ook opgehaald?