Werkwoorden tegenwoordige tijd - alle vormen - 006

Vul de werkwoorden in. Klik dan op "nakijken" om de antwoorden te controleren.

Klik hier voor het werkwoordenschema.

Klik hier voor meer oefeningen.
1) (kruiden) de kok dit gerecht met peper en zout?

2) (schudden) Hij de ideeën uit zijn mouw.

3) (kleven) Het plakband niet meer omdat het te oud is.

4) (kweken) In de lente we nieuwe tomatenplantjes.

5) (besteden) Als ik de helft aan speelgoed, hou ik nog genoeg geld over..

6) (ontroeren) Het me dat je dit hebt gedaan.

7) (zenden) je tante jouw altijd een verjaardagskaart?

8) (storen) Dat gedrag mij nog het meest.

9) (beschouwen) De meeste mensen Griekenland als een vakantieland.

10) (vermoeden) Ik dat die man de dader is.